't Sprengenhus blikt terug op coronaperiode
Een reflectie op de coronacrisis. Wat is onze ervaring? Wat ging er goed? Wat kan er beter?
Naar aanleiding van de afgelopen coronaperiode willen wij graag delen wat het met ons als medewerkers van het 't Sprengenhus gedaan heeft en hoe wij het in een volgende crisis anders zouden willen zien en doen.
Algemeen
Toen halverwege maart door de overheid werd besloten dat de dagbestedingscentra dicht moesten, kon niemand zich nog voorstellen dat dit voor een onbepaalde tijd zou zijn. De noodzaak om dicht te gaan werd echter door niemand in twijfel getrokken. Een belangrijke ervaring is dat we dit als team dagbesteding op eigen kracht hebben moeten doen. Wij hebben dat in een tijdsbestek van twee dagen daadkrachtig opgepakt. Allerlei praktische maatregelen zijn snel ingezet en geregeld. De verdeling van collega’s over de woningen. Het stopzetten van activiteiten buiten het centrum. Het extra schoonmaken van de lege lokalen enz. We gingen snel van start maar daarna bleef het stil. Hoewel dit in normale omstandigheden van ons als zelfstandig werkende teams verwacht mag worden, is dit een situatie waar niemand voldoende op voorbereid was. We waren van de een op de andere dag geen team meer. Medewerkers van de dagbesteding werden bij verschillende woongroepen ondergebracht. Ook de begeleiders van de woningen werden overvallen door dit besluit en moesten daar een weg in zien te vinden. Daarin hebben wij ons als dagbestedingsmedewerkers erg alleen gevoeld. En jammer genoeg is daar tijdens die periode en ook daarna nooit door iemand op teruggekomen of heeft iemand gevraagd naar de impact die dit besluit had op de collega’s.
De situatie op locatie Laag-Soeren
Laag-Soeren is een kleine gemeenschap, waar wonen en werken op hetzelfde terrein plaatsvindt. We liggen vrij geïsoleerd ten opzichte van de andere locaties van Elver. De meeste bewoners gaan voor de dagbesteding naar ‘t Sprengenhus op hetzelfde terrein. Daarom hadden we niet verwacht zo snel en zo hard getroffen te zullen worden. Op twee van de drie woonhuizen kreeg ongeveer 40% (daadwerkelijk getest) te maken met corona. Daarna is het testen gestopt omdat men ervan uitging dat de andere bewoners ook besmet waren. Op dat moment was Elver nog volop bezig maatregelingen te treffen. Voor ons betekende dit dat de medewerkers van de getroffen woonhuizen en de daarbij toegevoegde medewerkers van dagbesteding voortdurend achter de feiten aan bleven lopen.
Waar liepen we tegenaan?
● Er waren al bijna twee weken voorbij voordat de quarantaineafdelingen klaar waren. Gedurende die tijd moesten we bewoners begeleiden die zich niet op hun kamer lieten isoleren maar juist heel erg om de nabijheid van de begeleiders vroegen. Bij gebrek aan afdoende beschermingsmiddelen werden dus andere bewoners en medewerkers dagelijks blootgesteld aan het virus.
● De mogelijkheid om onszelf te testen was afwezig en dat zorgde voor een permanent gevoel van onveiligheid bij de medewerkers. Ook bij het thuisfront leefde die angst en bovendien soms boosheid en onbegrip voor de risicovolle omstandigheden. Dit maakte het optimaal functioneren op de woongroep soms erg moeilijk.
● Collega’s zagen zich thuis ook gesteld voor andere problemen. Kinderen die, na een lange spannende dag op de werkvloer, thuis met school moesten worden begeleid. Het wegvallen van kinderopvang. De mantelzorg voor ouders kwam in gevaar of was zelfs onmogelijk. Zorgen om huisgenoten met een kwetsbare gezondheid. Partners die thuis kwamen te zitten met dreigende ontslag. Collega’s die dit bespreekbaar wilde maken kregen geen gehoor of wisten niet tot wie ze zich konden wenden. Onder normale omstandigheden is dat al stressverhogend. En dit waren/zijn geen normale omstandigheden.
● Er waren regelmatig contactmomenten tussen woonbegeleiding en regiomanager van wonen. Deze gingen vooral over de organisatorische en praktische kanten betreffende de woonhuizen en hun bewoners. Dit werd niet overal met de desbetreffende medewerkers van de dagbesteding gedeeld. Bij deze medewerkers ontstond het gevoel dat ze er niet bij hoorden.
● Door veel van onze collega’s werd het ontbreken van een persoonlijk/groepscontact en belangstelling voor de medewerker van dagbesteding als een gemis ervaren. De oprechte vraag naar hoe het voor ons als persoon of als dagbestedingsgroep was om van de ene dag op de andere in een ander team te worden ingedeeld werd niet gesteld.
● Er waren bewoners die terug vielen in elke dag dezelfde beperkte activiteiten als gevolg van de afwezigheid van materiaal en middelen en gebrek aan ruimte. Zeker toen er op twee woonhuizen besmettingen waren ging heel het terrein in lockdown en konden ze nauwelijks naar buiten vanwege het risico andere bewoners tegen te komen. Terwijl veel van onze bewoners die bewegingsactiviteiten zo nodig hebben.
● Ook de juist opgebouwde activiteiten buitenshuis vielen weg. En verreweg de meeste van onze bewoners begrepen niets van de situatie. Een aantal bewoners hebben zeker ook vaardigheden moeten inleveren.
Wat waren de positieve kanten
● Het is nog duidelijker geworden hoe belangrijk dagbesteding is voor onze deelnemers op een daarvoor geschikte locatie. Het geeft zingeving in hun leven en structuur aan de dag.
● Met ons team zijn we op een andere manier naar onze deelnemers gaan kijken. Omdat we ze ook in een andere omgeving en andere samenstelling hebben meegemaakt. Hierdoor komen we in de toekomst tot een andere indeling van de dagbestedingsgroepen waar we anders nooit toe zouden zijn gekomen.
● Voor een aantal van onze deelnemers is de afwezigheid van tijdsdruk als gevolg van een taxirit of het op tijd moeten beginnen een zegen gebleken. Er was veel meer ontspanning bij het opstarten in de ochtend. Toen wij onze deuren weer mochten openen hebben deze deelnemers zich snel aan de nieuwe locatie aangepast.
● Ook is het belang van dagbesteding aanbieden op een andere daarvoor geschikte omgeving duidelijk geworden. Naarmate de periode van de corona lockdown langer duurde vervaagde de grens tussen wonen en werken. Bewoners kregen de neiging vaker hun eigen kamer op te zoeken, en zich af te zonderen. Ook daalde de motivatie om iets te gaan doen. Ik ben nu toch op de woning....dan mag ik naar mijn kamer.
● Daar waar het nog niet aanwezig was is het wederzijds respect voor elkaars werk toegenomen. De drempel om sneller bij elkaar binnen te lopen voor een praatje of overleg is veel lager. Het wederzijdse gevoel dat we met elkaar deze periode hebben doorstaan heeft ons toch dichter bij elkaar gebracht.
● Toen wij de mogelijkheid zagen eerder open te gaan, kon dat snel worden ingezet en kregen we alle medewerking en vertrouwen.
Wat kan beter
● Meer aandacht voor de (persoonlijke situatie) van medewerkers.
● Meer aandacht voor Laag-Soeren als (kleinschalig) woon- en dagbestedingsgemeenschap.
● Meer duidelijkheid en eenduidigheid over waar we terecht kunnen met verschillende vragen. Vooral met betrekking tot de werknemers.
● Maak een of twee collega’s verantwoordelijk voor coronagerelateerde zaken zoals op voorraad houden van beschermingsmiddelen, bewaken van de veiligheid op de werkvloer, praktische zaken zoals op voorraad van de schone was.
● Een of twee collega's voor het bewaken van de onderlinge contacten binnen het dagbestedingsteam.
● Wat ons ook duidelijk is geworden, is dat het heel belangrijk is dat er meer differentiatie komt in het beleid met betrekking tot de verschillende locaties. In Laag-Soeren woont en werkt een ander niveau clientèle dan bijvoorbeeld in Nieuw-Wehl. Bepaalde maatregelen kunnen niet zomaar een op een worden toegepast op alle locaties.
● Wij hadden graag ook meer initiatief van vakondersteuners (gedragswetenschappers, therapeuten en coaches) gezien. Het initiatief voor hulp en advies met betrekking tot deelnemers moet zeker in dit soort situaties niet alleen afhangen van de vraag van medewerkers. Wij als team hadden echter ook eerder en met meer nadruk op die hulp moeten aandringen.